’t Is rot, maar vlees is zo lekker

– Roos Vonk – hoogleraar Sociale Psychologie – 

Dit is een aangepaste versie van een opiniestuk dat Roos Vonk in 2010 schreef voor De Volkskrant. In 2013 was dit een eindexamentekst op het HAVO-examen Nederlands. Twee CDA-Kamerleden stelden daarover Kamervragen, overigens zonder het stuk te hebben gelezen, want ze noemden het een interview en wisten niet dat het stuk uit 2010 was. Het antwoord van de staatssecretaris was dat het stuk geschikt was als eindexamentekst, omdat ‘het hier gaat om begrijpend lezen en niet of de lezer het eens is met de inhoud’ .’In centrale examens wordt bij uitstek gekozen voor maatschappelijke contexten. Het CvE ziet erop toe dat deze contexten op neutrale wijze aangeboden worden en dat de vragen neutraal gesteld zijn. Het kan voor het CvE niet zo zijn dat contexten gemeden (moeten) worden vanwege het feit dat ze opiniërend van aard zijn.’

Jaren geleden zat ik aan een kerstdiner, waar traditiegetrouw mijn vleesloze menu ter sprake kwam. Op de vraag waarom ik geen vlees at, gaf ik voor het gemak het korte antwoord: ‘Ik hou van dieren’. De vragenstelster was hierover oprecht verrast: ‘Maar wat is de zin van het leven van zo’n dier, als we hem niet eten?’ Deze vraag sloeg mij op mijn beurt geheel uit het lood. Huh? Maar ik vond haar aardig, dus ik zei: ‘Uhhh… dezelfde zin als ons leven?’ – waarop ze mij enkel nog met stomheid geslagen kon aankijken.

Hier kwamen twee werelden met elkaar in contact die volstrekt niets van elkaar van elkaar begrepen. In haar wereld is er een hiërarchische ordening van soorten, met de mens bovenaan. De dieren zijn er voor de mensen, omdat het door de Schepper zo is bedacht of omdat de mens het hoogtepunt van de evolutie is. In mijn wereld is de mens niet superieur aan andere dieren. Waarin zou de mens zich kunnen onderscheiden? Ja, ik kan wel wat bedenken: een besef van goed en kwaad, hogere morele waarden, compassie met zwakkeren, inzicht in de lange-termijn-gevolgen van eigen gedrag, en het vermogen snelle behoeftebevrediging uit te stellen ten behoeve van hogere doelen. Maar als mensen dat echt konden, zou de huidige vee-industrie per direct wordt gestaakt. In mijn wereld, en de wereld waarin we inmiddels met z’n allen leven, is de gangbare bedrijfsvoering in deze sector alleen al om puur egoïstische redenen niet meer houdbaar, nu duidelijk is geworden dat we met onze vleesconsumptie domweg de tak afzagen waarop we zitten.

Een bekende reactie op deze overwegingen is: ‘Ja, maar vlees is zo lekker hè?’. Dat dat ene woord ‘lekker’ voldoende is om dierenwelzijn, milieu, klimaat, volksgezondheid en de Derde wereld in één klap weg te vegen, geeft aan waar wij ons als ‘superieure’ soort werkelijk bevinden op de beschavingsladder: net als alle dieren worden we primair gestuurd door het lust-onlust-principe: ‘Ik wil het fijn hebben en graag nu meteen’. De neiging om onprettige of lastige situaties te vermijden is een niet weg te denken onderdeel van onze instincten-uitrusting. Het opofferen van onze genoegens en ons gemak ten behoeve van belangen die verder van ons bed zijn, vereist het gebruik van hersendelen die in de evolutie als laatste zijn ontstaan, en die onbenut blijven als ‘lekker’ onze leidraad is.

Sociaal dilemma

Net als andere groepsdieren zijn mensen zeker wel in staat hun korte-termijn-behoeftes te overstijgen ten behoeve van ‘hogere’ collectieve doelen. We zetten geregeld onze individuele behoeftes opzij om het gezellig te houden, of we werken aan een vervelende klus in het belang van onze afdeling of vereniging. Dit zijn voorbeelden van sociale dilemma’s – keuzes tussen individueel en collectief belang – waarin we ons coöperatief gedragen: ons persoonlijk belang opofferen voor het collectieve belang. In kleine groepen is de logica hiervan evident: als je de groep benadeelt, is dat slecht voor iedereen, dus uiteindelijk ook voor jezelf en voor de goede verstandhoudingen. Maar hoe groter en minder hecht het collectief, des te minder zichtbaar zijn de gevolgen van individuele keuzes. Persoonlijk belang krijgt de overhand. Coöperatief gedrag moet dan worden afgedwongen door regelgeving; denk aan belasting betalen voor collectieve voorzieningen of een kaartje kopen voor de trein. Ontbreken die regels, dan kiezen we voor eigenbelang, en dat is in onze samenleving regelmatig te zien. Denk aan mensen die de trein in stappen voordat anderen eruit zijn, of die geen organen willen afstaan na hun dood zonder afstand te doen van het recht zelf een orgaan te ontvangen.

In onze evolutionaire geschiedenis hebben we de meeste tijd geleefd in kleine gemeenschappen van 50 tot hooguit 100 mensen, zodat coöperatief gedrag vanzelf tot stand kwam. Door grootschaligheid is inmiddels de relatie van het individu tot het collectief diffuus en anoniem geworden. Ook de vee-industrie illustreert dit. Wie vlees eet, merkt er niets van dat het dier een kort ellendig leven heeft gehad (‘Dat dier is toch al dood’), dat vlees het meest milieu- en klimaatonvriendelijke onderdeel is van ons hele voedselpakket, en dat enorme hoeveelheden landbouwgrond in andere werelddelen worden gebruikt om voer voor ons vee te telen.

Stel dat dit allemaal gebeurde op kleine overzichtelijke schaal. Stel dat mensen in hun achtertuin varkens houden in kleine donkere hokken, op roostervloeren zonder stro. De buren verderop met hun kinderen hebben honger, want hun tuin wordt gebruikt om het varkensvoer te verbouwen waardoor ze zelf nauwelijks eten hebben. De varkenspoep wordt uitgestrooid over de hele wijk en vervuilt het water van alle bewoners. De varkenshouders zitten vrolijk te smikkelen en zeggen: ‘Rot joh, maar ja, het is gewoon lekker!’

Dom of asociaal

Als je het zo voorstelt, is het duidelijk dat de vleeseters (wij Westerlingen, in de analogie) asociale lomperiken zijn. In ‘Het lekkerste dier’ vindt zelfs liefhebster Sylvia Witteman: ‘Wie nu nog varkensvlees uit de bio-industrie koopt, verdient het om de rest van zijn leven met veertig mede-asocialen in een stilstaande lift te worden opgesloten en gevoederd te worden met doodgekookte elleboogmacaroni.’ Als het in hun achtertuin gebeurde, zouden de vleeseters publiekelijk in Witteman’s lift te schande gesteld worden. Maar in onze ‘beschaafde’ samenleving zijn de dieren zijn volledig aan het oog onttrokken, en onze relatie tot de andere gedupeerden – mensen in de derde wereld en de generaties na ons – is diffuus.

Dit betekent dat je niet noodzakelijk asociaal en immoreel hoeft te zijn om vlees te eten. Mensen kunnen immers ook gewoon onwetend of onintelligent zijn, waardoor ze de gevolgen van hun keuzes niet ten volle beseffen – zeker zolang goede voorlichting over de gevolgen van vleesconsumptie op het huidige armzalige niveau blijft en de overheid op dat gebied geen poot uitsteekt, er juist eerder alles aan doet om de veesector te beschermen. Maar er is een groot schemergebied tussen dom zíjn en jezelf dom houden door niet even stil te staan bij ongemakkelijke waarheden. Een grote groep hoogopgeleiden in onze samenleving eet vlees uit de vee-industrie en kan werkelijke domheid of onwetendheid niet als excuus aanvoeren. In de universiteitskantine zie ik verreweg de meeste medewerkers en studenten gretig opscheppen van kroketten en vleeswaren. Ook de meeste van onze landsbestuurders happen onbekommerd mee bij de jaarlijkse barbecue op het Binnenhof. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat al deze mensen hun persoonlijk comfort belangrijker vinden dan de hoge en onomkeerbare kosten die hun keuzes voor anderen teweeg brengen.

Met z’n allen onwetend

Dit is voor een belangrijk deel te verklaren doordat we het met zovelen doen en iedereen onbedoeld meehelpt om de bestaande situatie te handhaven. Kranten en tijdschriften bevatten recepten met vlees en culinair journalisten smullen publiekelijk en zonder enige schaamte van ossenhaasjes en lamskoteletjes – in feite een continue PR-campagne voor de veesector. Omdat iedereen het doet, is het ‘normaal’. We sussen elkaar in slaap door het er niet over te hebben en elkaars gedrag te accepteren. Mensen die zich er druk over maken, anderen op de vingers tikken of kritische vragen stellen, worden gezien als ‘emotioneel’, lastig of betweterig. Net als bij tunneldenken in groepen, krijgen ideologische dwarsliggers signalen dat hun gedrag storend of op zijn minst ongezellig is, dus houden ze vaak maar hun mond.

De vleeseters zeggen tegen zichzelf: ‘Wat kan ik eraan doen? De boeren en de politiek bepalen hoe ons eten wordt geproduceerd. Als het echt zo erg was, zou de overheid wel ingrijpen.’ Op hun beurt denken de boeren en leveranciers dat de consument het zo wil, omdat dier- en milieuonvriendelijk vlees en zuivel goed verkoopt; burgers hebben vaak wel het hoogste woord over die foute kiloknallers en plofkip, maar zeggen met hun koopgedrag vooral: ‘Graag veel goedkoop vlees uit de vee-industrie!’ De overheid grijpt evenmin in, omdat kiezers hun koopkrachtplaatjes veel belangrijker lijken te vinden dan dieren, milieu, klimaat en derde wereld. Dat is wat hun stemgedrag laat zien.

Zo leven we met z’n allen in een staat van ‘pluralistic ignorance’ (meervoudige onwetendheid): we hebben allemaal het idee dat als het echt zo erg was, iemand anders er wel iets aan deed. Als iedereen het accepteert, dan zal het toch wel meevallen? In de psychologie is dit verschijnsel bekend als het omstander-effect: hoe meer mensen getuige zijn van een noodgeval (bijvoorbeeld vechtpartij, drenkeling, aanrijding, brand), des te kleiner de kans dat iemand in aktie komt. Ieder wacht af wat anderen doen. En daardoor trekt ieder de conclusie dat het kennelijk wel meevalt, anders zou iemand anders al wel iets gedaan hebben.

In het geval van de vee-industrie komt daar nog bij het gevoel dat je als individu machteloos staat tegenover iets dat zo alomtegenwoordig is. Veel mensen plaatsen wel sluimerende vraagtekens bij hun vleesconsumptie, maar hebben niet het idee dat hun eigen gedrag iets uitmaakt: het druppel-op-gloeiende-plaat-gevoel. Om gevoelens van machteloosheid ter vermijden, proberen ook welwillende, betrokken mensen er maar liever niet aan denken.

Zo zetten de diverse miskleunen van de mensheid zich onbelemmerd voort, want ‘er is maar één ding nodig om het kwade te laten zegevieren: goedwillende mensen die niets doen’ (Edmund Burke). Ik denk niet dat de meeste miskleuners nu zo ongelofelijk dom of asociaal zijn. Ik denk dat veel mensen die sluimerende vraagtekens op de achtergrond wel kennen. En als er ooit een tijd komt dat we met afgrijzen terugkijken op de huidige veehouderij – en die komt, daar ben ik van overtuigd – dan zeggen ze: ‘Ik had er altijd al moeite mee’. Dan heeft iedereen ‘in het verzet gezeten’. Maar voor nu deinen ze gemakshalve nog even mee in de vaart der volkeren. Dat is buitengewoon jammer, want mensen zijn diep in hun hart vaak niet zo stom en hufterig als ze zich gedragen. Ook vleeseters niet.

Roos Vonk

Roos Vonk is hoogleraar Sociale Psychologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Ze doet wetenschappelijk onderzoek en geeft les over verschillende sociale onderwerpen. Verder geeft ze lezingen, workshops en coaching en ze schrijft columns, artikelen en boeken.